Peter Terrin – Post Mortem

Wat een geweldig boek! Het spel dat Terrin speelt met werkelijkheid en fictie slokte me helemaal op.

Post Mortem Peter TerrinPost Mortem van Peter Terrin kreeg ik in mijn handen toen de roman de AKO literatuurprijs al had gewonnen. Altijd lastig, een roman beoordelen die al met een grote landelijke prijs is bekroond. Vaak vind ik zo’n bekroonde roman oké, maar zeker niet geweldig, laat staan overweldigend. Een kwestie van compromissen in de jury vermoed ik.

Extra handicap voor Post Mortem was de juryvoorzitter van de AKO literatuurprijs: Jozias van Aartsen. Deskundigheid is voor mij iets anders dan bekendheid, al is dat onderscheid in de media al jaren verdwenen. Maar goed, de jury koos Post Mortem en Post Mortem niet de jury, dus vooruit… de roman kreeg een eerlijke kans van me.

En?

Wat een geweldig boek! Het duurde even voordat ik goed in het verhaal zat, maar daarna slokte het spel dat Terrin speelt met werkelijkheid en fictie me helemaal op.

Verbeelding en fantasie

De hoofdpersoon van Post Mortem is de schrijver Emiel Steegman. Aan het begin van de roman komt hij op een goed, maar weinig origineel idee: hij gaat een roman schrijven over een schrijver. Hij noemt hem T. Voor zijn verhaal gebruikt Steegman zijn eigen ervaringen, maar vooral ook zijn verbeelding. T lijkt op hem, maar met duidelijke, bewust gekozen verschillen. En al schrijvend en fantaserend gaat Steegman zelfs een beetje op T lijken.

Biografiefobie

Het schrijven aan het verhaal over T is voor Steegman een manier om met zijn biografiefobie om te gaan. Op welke manier zal een biograaf later kleine voorvallen uit zijn gefragmenteerd leven opblazen tot een afgerond fictief geheel, vol psychologie-van-de-koude-grond-verklaringen voor zowel levenskeuzen als literaire invloeden? Steegman wil die vraag zoveel mogelijk zelf beantwoorden. Of in ieder geval zijn biograaf bewust bepaalde zijwegen insturen. Al is het maar om niet meer over bepaalde gebeurtenissen uit zijn jeugd te hoeven nadenken. Wat daardoor, en door een toevallige ontmoeting, uiteraard juist wel gebeurt.

Daar is de biografie

Halverwege de roman overkomt Steegman iets verschrikkelijks. Zijn dochter heeft een herseninfarct gehad en moet worden opgenomen in een ziekenhuis. De stijl van de roman verandert. Het verhaal dat Steegman schrijft wordt autobiografisch. Het is alsof je dagboeknotities leest. T verdwijnt naar de achtergrond. Het overleven van zijn dochter staat voor Steegman nu centraal. Terrin laat Steegman de gebeurtenissen op een zeer aangrijpende manier vertellen. Strak. Feitelijk. Emotierijk, zonder sentimenteel te worden.

Daar is de werkelijkheid

Met de ziekte van de dochter komt de werkelijkheid de fictie van de roman binnen. Op meerdere niveaus. Steegman onderbreekt het verhaal over T. Zijn verbeelding wordt door de werkelijkheid ingehaald. Maar dat geldt voor Terrin ook. Bijna alle lezers van Post Mortem zullen weten dat de dochter van Terrin ook een hersenziekte heeft. Tegelijkertijd blijft het een spel met maskers, om Boon te citeren, want ook nu houdt Terrin de touwtjes strak in handen. Niet wat betreft zijn eigen leven, niet over datgene wat er later in zijn biografie komt te staan, maar wel over wat hij in Post Mortem opschrijft. En hoe hij dit doet.

De cirkel

In het derde deel van de roman volgen we de biograaf van Steegman. Dit is het minste deel van Post Mortem. Noodzakelijk misschien om de cirkel rond Steegman te sluiten. Maar zijn jeugdgeheim speelt daarin een te prominente rol voor mij. Ik houd niet van boeken waarin continue wordt gezinspeeld op jeugdgeheimen, maar waar je tot het einde moet wachten voordat dat geheim je wordt verteld. Vooral omdat zo’n geheim vaak voor een personage een dramatische waarde en emotionele lading heeft, waar je je als lezer weinig bij kunt voorstellen. Dit geldt ook voor het geheim van Emiel Steegman in Post Mortem.

Draadjes en puzzelstukjes

Post Mortem bestaat uit een kluwen draadjes die je niet gemakkelijk ontwart. Zo weet je bijvoorbeeld niet altijd wie er aan het woord is: Terrin, Steegman of T? Wie heeft er nu een roman over wie geschreven? Post Mortem lijkt met al die draadjes aan te sluiten bij De Kapellekensbaan van Louis Paul Boon, hoewel de romans stilistisch elkaars tegenpolen zijn. Uiteindelijk zijn de draadjes in Post Mortem misschien zelfs niet helemaal te ontwarren. De touwtjes gaan rafelen als je eraan trekt. Je houdt niet netjes drie, vier hele draadjes over. Of anders gezegd: de puzzelstukjes passen misschien niet helemaal. Is dat een diskwalificatie? Volgens sommige recensenten wel. Volgens mij niet. Het past prima bij het thema, waarin feit en fictie, werkelijkheid en verhaal met elkaar in de knoop raken. Wat is werkelijkheid, wat is fictie? De lezer weet het niet meer. En de schrijver en zijn personages eigenlijk ook niet. En dat is prima, als de knoop vakkundig gemaakt is. En dat is Post Mortem van Peter Terrin.


Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

19 + tien =