Louis Paul Boon – De Kapellekensbaan en Zomer te Ter-Muren – 3

Enkele feitjes over Boon. Het leven in een roman. Met stukjes en beetjes. En veel maskers. Geniaal!

Louis Paul BoonTussen zijn geboorte op 15 maart 1912 in Aalst en zijn sterfdatum op 10 mei 1979 in Erembodegem heeft Louis Paul Boon enorme stapels papier volgeschreven. Zijn romans De voorstad groeit (1943), Mijn kleine oorlog (1947), De Kapellekensbaan (1953), Menuet (1955) en Zomer te Ter-Muren (1956) behoren in ieder geval tot de absolute wereldtop.

Geniaal spel tijdens een onmogelijke missie

De roman van Louis Paul Boon vallen niet alleen op door hun ‘miserabilisme’ en ‘nihilisme’, maar ook door vormexperimenten. Zijn latere romans zijn meer ‘klassiek’ van vorm. Inhoudelijk verschuift de nadruk dan meer naar geschiedenis (bijvoorbeeld Pieter Daens, 1971) en erotische fantasieën (bijvoorbeeld Mieke Maaike’s obscene jeugd, 1972).

Waardering voor Louis Paul Boon

Louis Paul Boon werd tot aan zijn dood vaak getipt als Nobelprijswinnaar, maar heeft die onderscheiding helaas nooit in ontvangst mogen nemen. Nationale en internationale waardering was er aan het eind van zijn leven echter voldoende. En mede dankzij zijn tv-optredens was Louis Paul Boon ook bij het grote publiek een Bekende Vlaming.

Begin van carrière

Roem was aan het begin van Boons schrijverschap nog ver te zoeken. Zijn eerste roman, Het brood onzer tranen, kwam niet verder dan zijn eigen wc. Dit verbetert als zijn vrouw, Jeanette de Wolf (roepnaam Jeanneke), het manuscript van De voorstad groeit opstuurt naar de jury van de Leo J. Krijnprijs. Boon wint de prijs, mede op voorspraak van Willem Elsschot. In 1943 geeft Angèle Manteau de roman uit. De ontvangst is wisselend. Hetzelfde geldt voor de romans daarna.

Tegen het zere been

Sommige recensenten vergelijken Boon direct met de grote schrijvers van die tijd. Anderen storen zich aan zijn strijd tegen de kerk, de uitzichtloze situaties waarin de personages zich bevinden en de vele expliciete seksuele beschrijvingen. Aan de hand van de levensbeschouwelijke signatuur van het blad of krant waarin de recensie verschijnt, is gemakkelijk te voorspellen naar welke kant het kwartje valt.

Wie wil er een boek kopen?

De verkoopcijfers van Boons eerste romans zijn mager. Voor Angèle Manteau een reden om het 1000 pagina’s dikke manuscript van De Kapellekensbaan en Zomer te Ter-Muren niet uit te geven. In Nederland is De Arbeiderspers enthousiaster en zo komen De Kapellekensbaan en Zomer te Ter-Muren uit in Nederland. Maar ook nu valt de verkoop tegen.

Verminking van een meesterwerk

Voor de uitgever is dit een reden om Boon bij latere edities te vragen passages te schrappen. Deze ‘verminking’ van zijn meesterwerk gaat Boon zeer aan het hart, maar hij heeft weinig keus: ‘brood op de plank’ is op dat moment in zijn leven belangrijker dan ‘artistieke autonomie’. Pas in 1979 verschijnen De Kapellekensbaan en Zomer te Ter-Muren samen integraal in één band.

Als het leven zelf

Waarom had Boon voor De Kapellekensbaan en Zomer te Ter-Muren zoveel woorden nodig? Omdat hij een nieuwe, totale roman wilde schrijven: een meesterwerk dat het hele leven in al zijn facetten en gefragmenteerdheid zou vangen. Het gevolg was dat hij bij ieder hoofdstuk wel iets had toe te voegen of te nuanceren. Dat werd dan weer een nieuw hoofdstuk, waaraan uiteraard ook weer iets toe te voegen of te nuanceren viel.

Dikker en dikker

En zo werden De Kapellekensbaan en Zomer te Ter-Muren dikker en dikker. Een proces dat duidelijk zichtbaar is voor de lezer van de romans. Bijvoorbeeld als Boontje in Zomer ter Ter-Muren besluit het verhaal van Ondine te beëindigen:

“Kom, laten wij er ons zeer vlug van afmaken, en een groot stuk over hem schrijven, het laatste stuk, en daarmee dan ons boek eindigen – voorgoed”

Dit klinkt definitief, maar met de roman in handen weet je wel beter. Zomer te Ter-Muren krijgt na dit ‘einde’ zelfs nog een heel nieuw hoofdstuk, met de veelzeggende titel:

“Alhoewel ons boek een einde heeft genomen, een definitief einde – schrijven wij, over de grenzen heen, nog een laatste hoofdstuk: Deemstering over het bos”

Een laatste punt

En ook in dit laatste hoofdstuk lukt het Boontje lange tijd maar niet om de laatste punt te zetten. De alter ego’s vragen om de beurt een einde dat past bij hun levensvisie en Boontje klimt iedere keer weer opnieuw voor ze in de pen. Zo eindigt de roman keer op keer, om telkens toch nog even door te lopen. Tot het moment dat Ondine, oud geworden, zonder krachten en met opnieuw een wereldoorlog op haar dak, naast de kachel berust in haar leven:

“och, het is het dat het Zo moet zijn. Zij verzette zich niet meer, zij wachtte het einde van de oorlog af… het einde van de oorlog, of het einde van haar leven: het viel nog te bezien, wie van deze beide het eerst ging komen.”

Mozaïek aan fragmenten

Ook de structuur van De Kapellekensbaan en Zomer te Ter-Muren is aangepast aan Boontjes poging het leven in al haar facetten en gefragmenteerdheid te vangen. De romans bestaan uit een mozaïek aan stukjes, verhaallijnen, commentaren en reflecties die samen voor een allesomvattend beeld zorgen.

Een eerste en tweede roman

De rode draad is het verhaal van Ondine. Het romanpersonage Boontje schrijft dit verhaal en bespreekt de voortgang ervan met personages als Johan Janssens, mossieu Colson van tminnesterie en de kantieke schoolmeester. Zo ontstaat er een tweede roman.

Aangevuld met vele stukjes

Verder staan in De Kapellekensbaan en Zomer te Ter-Muren stukjes over Reinaert de Vos en Jan de Lichte. Ze behandelen dezelfde thema’s weer vanuit een andere invalshoek. Dit alles vult Boontje aan met persoonlijke reflecties op het hele schrijfproces en twijfels over het nut en de haalbaarheid ervan. Tegenwoordig zijn we zo gewend aan deze modernistische en post-modernistische stijlvormen, dat we hier nauwelijks meer van opkijken. In de jaren vijftig was dit echter een duidelijke breuk met de traditie.

Mensen bestaan niet uit één stuk

In De twee beste romans ooit! gaf ik al aan dat je de vele personages in de actuele tijd als alter ego’s van Louis Paul Boon kunt zien. Ze vertegenwoordigen allemaal een bepaald deel van zijn karakter en leven. Hij toont dat de mens, in tegenstelling tot de vele romanpersonages, niet uit één stuk bestaat. In plaats daarvan wordt de mens heen en weer geslingerd door tal van opvattingen:

“Als een symbool staan ze er dus… en zie, daarin heb ik mij versproken: als een symbool, en dus als een spiegelbeeld van mijn eigen ik, als een ontdubbeling van mijn eigen aan flarden gereten wezen. Zij staan er als symbolen, als schimmen die geen eigen leven hebben, maar slechts dienen ter onderstreping van teen of tander. En toch… toch hebben zij een eigen leven… want het is te simpel om mezelf te ontdubbelen in johan janssens en de rest, zij moeten bestaan en toch niet bestaan, zij moeten in deze roman een vaag getekende rol spelen en toch moeten zij Mensen kunnen blijven. En als zij mensen zijn, dan hebben zij buiten de rol die ze hier spelen ook nog een ander, een eigen leven.”

Personages groeien schrijver boven het hoofd

Opvallend is het tweede deel van dit citaat. De personages, oorspronkelijk bedoeld als personificaties van zijn eigen karaktertrekken, groeien Boontje boven het hoofd. Ze worden al snel volwaardige karakters, met hun eigen wensen en opvattingen. Ze gaan ook steeds meer een eigen leven leiden en komen met Boontje in conflict over hun rol. Op zijn beurt vergist Boontje zich soms in de naam van een personage of verandert die opzettelijk. Dat leidt dan weer tot argumenten. En als de meeste personages de Kapellekensbaan hebben verlaten om hun eigen te leven leiden, blijft Boontje steeds eenzamer achter.

De missie is te groot

De Kapellekensbaan en Zomer te Ter-Muren groeien Boontje, net als het leven zelf, dus boven het hoofd. Het verhaal van Ondine en de verhalen in de actuele tijd groeien en groeien, zonder dat Boontje echt gezegd krijgt wat hij wil. Bovendien heeft hij de personages niet in de hand en ze verlaten hem zelfs. Het is dan ook logisch dat Boontje regelmatig twijfelt aan zijn missie. Ook die twijfel maakt weer onderdeel uit van beide romans.

De werkelijkheid dringt de romanwereld binnen

Het meest aangrijpend als de werkelijkheid wel erg hard de romanwereld binnendringt: eerst overlijdt zijn vriend ‘Veenmanneke’ en later zijn zus Jeanneke. Hier verdwijnt dan de ge-vorm, waarin Boontje zichzelf, en eigenlijk ook de lezer, de hele roman toespreekt. Louis Paul Boon zet het masker van Boontje af en gebruikt ‘ik’. Om overigens later teleurgesteld op te merken dat hij daarmee niets anders heeft gedaan dan een nieuw masker opzetten en zo ook met deze gevoelens een spel voor de lezer heeft gespeeld.

Het spel is geniaal

Net zoals de belangrijke personages in de De Kapellekensbaan en Zomer te Ter-Muren maar geen greep krijgen op hun leven, lukt het Boontje dus maar niet het leven in al zijn facetten in een roman te duwen. De frustratie hierover is groot, maar de drang om te schrijven is nog groter. Het resultaat zijn twee aangrijpende, meeslepende en afwisselende romans, waarin het op het eerste gezicht lijkt alsof de schrijver achteloos alles wat in hem opkomt zonder nadenken op papier heeft gezet. Zo presenteert hij zichzelf ook via het alter ego Boontje. Maar wie beter kijkt, ziet dat in De Kapellekensbaan en Zomer te Ter-Muren vorm en inhoud samen een geniaal spel met de werkelijkheid en de lezer spelen. Ieder fragment opnieuw. Beter bestaat niet.

Pascal Klaassen
februari 2013


Zie ook deel 1 en deel 2 van mijn bespreking van De Kapellekensbaan en Zomer te Ter-Muren:

En bekijk de Fenomenale Feminateek van Louis Paul Boon


Literatuurlijst

De citaten uit De Kapellekensbaan en Zomer te Ter-Muren komen uit de volgende edities:

  • Louis Paul Boon, De Kapellekensbaan, ABC-Boeken nummer 9 (De Arbeiderspers), Amsterdam, 1964;
  • Louis Paul Boon, Zomer te Ter-Muren, ABC-Boeken nummer 39 (De Arbeiderspers), Amsterdam, 1974.

Verder heb ik me laten inspireren door:

  • Annie van den Oever, Gelijk een kuip mortel die van een stelling valt, Uitgeverij Houtekiet; Antwerpen – Baarn, 1992;
  • Annie van den Oever, ‘De stijl van de ‘Vlaamse volksschrijver’ Louis Paul Boon’, in Dromen en geruchten, redactie Jos Joosten en Jos Muyres, Uitgeverij VANTILT, Nijmegen, 1997;Jean Weisgerber, ‘experimenten met de roman’, in: Louis-Paul Boon, Nijgh & Van Ditmar, Boekaflevering van het tijdschrift Komma, jaargang 1, nummer 5 / 6;
  • Weverbergh, ‘biografische verkenning’, in: Louis-Paul Boon, Nijgh & Van Ditmar, Boekaflevering van het tijdschrift Komma, jaargang 1, nummer 5 / 6;
  • Paul de Wispelaere, ‘de structuur van de kapellekensbaan – zomer te ter-muren’, in: Louis-Paul Boon, Nijgh & Van Ditmar, Boekaflevering van het tijdschrift Komma, jaargang 1, nummer 5 / 6;
  • Paul de Wispelaere, ‘Notities bij ‘Boontje’’, in Dromen en geruchten, redactie Jos Joosten en Jos Muyres, Uitgeverij VANTILT, Nijmegen, 1997;

 

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

5 + tien =